"De Boterkamer der Democratie"

Inleiding

"De Maatschappelijke Waarde van een Glas Minder"

Er was eens een dorp waar de mensen dachten dat helderheid iets was dat je in flessen kon kopen.  Ze schonken het gul in glazen, alsof de wereld vanzelf recht zou lopen als je hem maar een beetje liet wankelen.  Tot op een avond de dorpskat - een wijze, die nooit dronk maar alles zag-op het plein ging zitten en zachtjes miauwde:  "Misschien," zei hij, "is de wereld niet zo ingewikkeld. Misschien wordt hij alleen maar troebel als wij hem te veel willen verdoven."  De mensen keken elkaar aan, een beetje betrapt, zoals alleen mensen dat kunnen.  En toen gebeurde er iets wonderlijks: niet omdat iemand het verlichtte, niet omdat er borden of boetes waren, maar omdat het dorp ineens begreep dat rust ook een keuze is, en helderheid een vorm van gastvrijheid voor jezelf en voor elkaar.  Vanaf die dag werd er nog steeds gelachen, maar het lachen klonk lichter, alsof het niet meer door glas hoefde om gehoord te worden.  En de kat?  Die liep tevreden weg, met de waardigheid van iemand die weet dat hij niets heeft veranderd, maar dat de mensen het zelf hebben gedaan.


Mini-conference - "De Grote Rekening van de Kleine Geneugten"

(orgineel, maar in de geest van Wim Kan)

Goedenavond dames en heren, fijn dat u er bent-en vooral dat u nuchter bent. Dat scheelt mij namelijk een hoop uitleg.

Weet u, ik heb laatst eens gekeken naar de maatschappelijke kosten van alcohol. Dat klinkt zwaar, maar het viel mee: de cijfers waren al dronken, dus ze vielen vanzelf om.

En dan komt de overheid. Die zegt: "We moeten iets doen!" En dan doen ze iets. Iets kleins. Zo klein dat je het alleen ziet als je er een vergrootglas bij pakt en een bril van +8.

Maar ondertussen staat de samenleving met een blauw oog, een scheve lantarenpaal, en een verkeersbord dat nog steeds trilt van de klap van vorige week.

En dan zegt men: "Ach, het hoort erbij." Ja, dat zeggen we in Nederland graag. We zeggen het bij regen, bij files, bij belastingaanslagen, en bij schoonmoeders. Maar sommige dingen horen er niet bij. Sommige dingen zijn gewoon... tja...duur.

Niet voor de drinker, hoor. Die heeft een topavond. Maar voor de rest van ons. Voor de ambulancebroeders, de politieagenten, de buren die wakker liggen, en de huisarts die denkt: "Daar gaan we weer."

En dan komt de boekhouder van de maatschappij. Die klopt op de deur en zegt: "Goedenavond, ik kom even de schade opnememen." En dan roept men verontwaardigd: "Schade? ik heb alleen maar gezellig gedaan!"

Ja, dat klopt. Maar de gezelligheid is uitgegroeid tot een soort nationale hobby waarvan de rekening bij de verkeerde mensen op de mat valt.

En weet u wat het mooie is? De oplossing is eigenlijk heel simpel. Niet streng, niet moralistisch, gewoon... verstandig. Een beetje minder. Een beetje rust. Een beetje helderheid. Een beetje Dranquilo, zou ik zeggen. 

Want uiteindelijk is het heel simpel: Een land dat helder denkt, maakt minder brokken. En een mens die helder denkt, maakt meer toekomst.

Dank u wel.


Hoofdstuk 1.

Waarin het lek zich introduceert

Het monumentale gebouw waarin de democratie huisde, stond er die ochtend bij alsof het zich excuseerde voor zijn eigen bestaan. De gevel boog licht naar voren, als een oude heer die te vaak had geknikt, en de ramen keken de straat in met matte blik van iemand die al jaren te weinig onderhoud had genoten. Het was een gebouw dat niet instortte uit respect voor de geschiedenis, maar dat evenmin overeind bleef uit overtuiging. 

Binnen, in de grote zaal met haar 1500 stoelen, waarvan er precies 1498 een eigen mening hadden over comfort, verzamelde zich het gezelschap dat het land bestuurde. Ze waren gekozen door vele miljoenen mensen die zelf geen boter konden betalen, maar die er wel in geslaagd waren vertegenwoordigers te kiezen die er dagelijks onder bedolven raakten. Democratie is soms een wonderlijke aangelegenheid.

De voorzitter, een hoffelijke man met een stem die altijd klonk alsof hij net een compliment had ontvangen, opende de vergadering met zijn gebruikelijke plechtigheid.  "Dames en heren," sprak hij, terwijl hij zijn bril poetste met de ernst van een chirurg, "het is mij een genoegen u allen weer te mogen begroeten in deze monumentale zaal."

Op datzelfde moment viel er een druppel op zijn hoofd.  Een kleine, glanzende druppel, die zich met de waardigheid van een staatsgeheim een weg naar beneden baande langs zijn oorlel.  De voorzitter deed alsof het niets gebeurde. Dat was een oude traditie in de democratie: men erkende geen problemen die van boven kwamen.  

De druppel was afkomstig van de Bovenverdieping die wegens chronisch geldgebrek al jaren was verhuurd als opslagruimte voor boter. De handelaar die de verdieping huurde, beweerde dat boter het best rijpte in een monumentaal pand, en niemand had de moed gehad om hem tegen te spreken. Het resultaat was dat het plafond van de vergaderzaal inmiddels meer gaatjes telde dan argumenten in een gemiddeld debat.  

"Het lijkt wat vochtig," fluisterde de Minister van Onderhoud, die altijd een paraplu bij zich droeg, zelfs tijdens droge debatten. "Vochtig?" herhaalde de voorzitter, terwijl een tweede druppel zich op zijn kruin installeerde. "Ach, een beetje democratische dauw. Het houdt on scherp."

Achter in de zaal mompelde de oude archivaris uit de kelder - een man die eruitzag alsof hij al sinds de stichting van het gebouw in de schaduw had gestaan. "Een genie woont één etage lager dan de waanzin," zei hij zachtjes, alsof hij het tegen de muren had. "En wij zitten er precies tussenin."

De vergadering ging verder, zoals vergaderingen dat doen: met veel woorden, weinig beweging en een groeiend aantal glimmende hoofden. Want terwijl de democratie sprak, smolt de boter boven hun hoofden in een tempo dat deed vermoeden dat de zon persoonlijk een politieke voorkeur had.

En zo begon de dag in de Boterkamer der Democratie: met een lek dat niemand wilde zien, een zaal die langzaam vettiger werd, en een bestuur dat vastbesloten was de werkelijkheid te negeren zolang zij niet luid genoeg op de vloer viel.

Hoofdstuk 2.

Waarin de Dakploeg verschijnt en de ernst van het lek wordt onderschat

De voorzitter had nog maar net zijn openingszin afgerond - een zin die, zoals gebruikelijk, meer plechtigheid dan inhoud bevatte - toen er een zacht, ritmisch getik klonk. Het was het soort geluid dat men normaal associeert met een regenbui, ware het niet dat de lucht strakblauw was en de ramen hermetisch gesloten.

"Het plafond spreekt," fluisterde de Minister van Onderhoud, die zijn paraplu al discreet had geopend.  "Het is slechts een druppel," zei de voorzitter, terwijl er inmiddels drie druppels een democratische route over zijn voorhoofd kozen. "Een kwestie van interpretatie."

Op dat moment zwaaide de deur open en verscheen de Dakploeg.  Het waren vier mannen die eruitzagen alsof ze rechtstreeks uit een handleiding voor mislukte reparaties waren gestapt. Ze droegen helmen die meer deuken dan glans hadden, en gereedschap dat duidelijk al generaties lang op pensioen wachtte.

Hun voorman, een man met een blik die tegelijk vastberaden en volledig afwezig was, tikte tegen zijn helm. "Wij zijn gekomen om het lek te dichten," kondigde hij aan, alsof hij een historische veldslag ging winnen. 

"Uitstekend," zei de voorzitter, die inmiddels een glimmende aureool van boter droeg. "Wat heeft u nodig?"

De voorman keek om zich heen, alsof hij de vraag niet helemaal begreep. "wat we nodig hebben," zei hij langzaam, "is...materiaal."

"Materiaal?" vroeg de Minister van Onderhoud. "Ja," zei de voorman. "Iets stevigs. Iets dat niet smelt. Iets dat bestand is tegen de tand des tijds."

Hij keek naar de stapel vergeelde documenten op de tafel.  "Wat zijn dat?"

"Moties," zei de voorzitter. "Oude moties. Ze zijn nooit uitgevoerd, maar we bewaren ze voor de vorm."

De voorman knikte tevreden. "Perfect. Onuitgevoerde moties zijn meestal van uitstekende kwaliteit. Ze hebben nooit gewicht hoeven dragen."

Voordat iemand kon protesteren, had de Dakploeg al een ladder uitgeklapt en was begonnen het plafond te beplakken met moties, verkiezingsposters en een vergeten grondwetsartikel dat men ooit had laten vallen tijdens een verhitte discussie over de prijs van koffie in de kantine.

Het effect was onmiddelijk.

De druppels stopten niet - ze verspreidden zich. Waar eerst één sierlijke straal boter naar beneden gleed, ontstond nu een waaier van kleine, vrolijk spetterende lekkages, alsof het plafond plotseling had besloten dat democratie gebaat was bij meer participatie.

"Het lijkt erger te worden," merkte de Minister van Onderhoud op, terwijl hij zijn paraplu iets verder opende.  "Dat is een kwestie van perspectief." zei de voorzitter. "We moeten het zien als...een uitbreiding van het probleem. En uitbreiding betekent groei. En groei is positief."

Achter in de zaal klonk opnieuw de stem van de archivaris uit de kelder. "Een democratie," mompelde hij, "Is als een oud dak. Iedereen wil eronder zitten, maar niemand wil het repareren."

De Dakploeg werkte onverstoorbaar door. Ze plakten, timmerden, zuchtten en overlegden op fluistertoon, alsof ze een chirurgische ingreep uitvoerden op een patient die niet mocht weten dat hij geopereerd werd.

Toen ze klaar waren, stapte de voorman naar voren. "Het lek is gedicht," zei hij trots.

Op dat moment viel er een grote klodder boter precies op zijn helm.

Hij keek omhoog, knikte bedachtzaam en zei: "Het dak moet wennen."

De voorzitter glimlachte beleefd, alsof hij zojuist een compliment had ontvangen. "Dames en heren," sprak hij, "ik stel voor dat we verdergaan met de agenda. Punt één: het onderhoud van de democratie."

Er viel opnieuw een druppel. Niemand keek omhoog.

Hoofdstuk 3.

Waarin de zaal begint te schuiven en de Weldoeners zich melden

De vergadering was inmiddels gevorderd tot het punt waarop men traditioneel vergat waar men het over had. De voorzitter bladerde door zijn papieren alsof hij hoopte dat de agenda zichzelf zou verklaren, terwijl de Minister van Onderhoud probeerde te doen alsof zijn paraplu geen hinder vormde voor de democratische waardigheid.

Het plafond dat zich tot dan toe had gedragen als een beleefde maar nerveuze gast, besloot op dat moment dat subtiliteit overschat werd. Een zachte plok klonk, gevolgd door een langgerekte glij,en toen viel er een klodder boter ter grootte van een kleine politieke belofte midden op de tafel.

De voorzitter keek naar de substantie alsof hij een zeldzaam natuurverschijnsel aanschouwde. "Interesant," zei hij. "Het lijkt erop dat het lek zich ontwikkelt."

"Het groeit," verbeterde de Minister van Onderhoud, die inmiddels zijn paraplu had uitgebreid tot een soort persoonlijke koepel. "Groei is een teken van vitaliteit," antwoordde de voorzitter. "En vitaliteit is goed voor de democratie."

Op dat moment begon de vloer een lichte helling te vertonen. Het was geen dramatische beweging - democratieën vallen zelden plotseling om - maar een subtiele verschuiving, alsof het gebouw zelf een andere mening had gekregen.

De 1500 stoelen reageerden ieder op hun eigen manier. Sommigen gleden waardig, anderen protesteerden met een krakend geluid dat deed vermoeden dat ze al jaren tegen hun pensioen aan zaten. En enkele stoel maakte een onverwachte draai, alsof hij een politieke draai wilde illustreren.

"Is dit normaal?" vroeg een volksvertegenwoordiger die langzaam richting de muur gleed. "Normaal is een rekbaar begrip," zei de voorzitter, die inmiddels een lichte glans had aangenomen. "We moeten flexibel blijven."

Toen ging de deur open.

Binnen stapten drie figuren die eruitzagen alsof ze per ongeluk in het daglicht waren beland. Ze droegen zonnebrillen, ondanks het feit dat de zaal slechts verlicht werd door lampen die al sinds de vorige eeuw hun best deden. Hun pakken glansden op een manier die niet door de stomerij kon worden verklaard.

"Wij," zei de middelste, met een stem die klonk alsof hij dagelijks met contant geld sprak, "komen u helpen."

De voorzitter glimlachte beleefd, zoals hij dat altijd deed wanneer hij niet wist of hij dankbaar of bang moest zijn. "Helpen?" vroeg hij. "Op welke wijze?"

"Wij hebben middelen," zei de man, "Financiële middelen. Grote middelen. Middelen die het dak kunnen redden."

"Dat is bijzonder vriendelijk," zei de Minister van onderhoud, die zijn paraplu voorzichtig liet zakken. "Maar... waar komt dat geld vandaan?"

De drie mannen wisselden een blik uit die suggereerde dat de vraag ongepast was. "Uit handel," zei de middelste. "Internationale handel," benadrukte de derde. 

De archivaris uit de kelder verscheen in de deuropening, alsof hij door de geur van problemen was aangetrokken. "Als geld geen vragen verdraagt," zei hij zacht, "dan moet men vooral niet luisteren naar de antwoorden."

Maar de voorzitter hoorde hem niet. Hij zag slechts een kans om het lek te dichten, de democratie te redden en zijn glimmende hoofd weer mat te krijgen. 

"Dames en heren," sprak hij plechtig, terwijl de zaal langzaam verder gleed, "ik stel voor dat wij deze genereuze weldoeners met open armen ontvangen."