"De Boterkamer der Democratie"

Hoofdstuk 1.

Waarin het lek zich introduceert

Het monumentale gebouw waarin de democratie huisde, stond er die ochtend bij alsof het zich excuseerde voor zijn eigen bestaan. De gevel boog licht naar voren, als een oude heer die te vaak had geknikt, en de ramen keken de straat in met matte blik van iemand die al jaren te weinig onderhoud had genoten. Het was een gebouw dat niet instortte uit respect voor de geschiedenis, maar dat evenmin overeind bleef uit overtuiging. 

Binnen, in de grote zaal met haar 1500 stoelen, waarvan er precies 1498 een eigen mening hadden over comfort, verzamelde zich het gezelschap dat het land bestuurde. Ze waren gekozen door vele miljoenen mensen die zelf geen boter konden betalen, maar die er wel in geslaagd waren vertegenwoordigers te kiezen die er dagelijks onder bedolven raakten. Democratie is soms een wonderlijke aangelegenheid.

De voorzitter, een hoffelijke man met een stem die altijd klonk alsof hij net een comliment had ontvangen, opende de vergadering met zijn gebruikelijke plechtigheid.  "Dames en heren," sprak hij, terwijl hij zijn bril poetste met de ernst van een chirurg, "het is mij een genoegen u allen weer te mogen begroeten in deze monumentale zaal."

Op datzelfde moment viel er een druppel op zijn hoofd.  Een kleine, glanzende druppel, die zich met de waardigheid van een staatsgeheim een weg naar beneden baande langs zijn oorlel.  De voorzitter deed alsof het niet gebeurde. Dat was een oude traditie in de democratie: men erkende geen problemen die van boven kwamen.  

De druppel was afkomstig van de Bovenverdieping die wegens chronisch geldgebrek al jaren was verhuurd als opslagruimte voor boter. De handelaar die de verdieping huurde, beweerde dat boter het best rijpte in een monumentaal pand, en niemand had de moed gehad om hem tegen te spreken. Her resultaat was dat het plafond van de vergaderzaal inmiddels meer gaatjes telde dan argumenten in een gemiddeld debat.  

"Het lijkt wat vochtig," fluisterde de Minister van Onderhoud, die altijd een paraplu bij zich droeg, zelfs tijdens droge debatten. "Vochtig?" herhaalde de voorzitter, terwijl een tweede druppel zich op zijn kruin installeerde. "Ach, een beetje democratische dauw. Het houdt on scherp."

Achter in de zaal mompelde de oude archivaris uit de kelder - een man die eruitzag alsof hij al sinds de stichting van het gebouw in de schaduw had gestaan. "Een genie woont één etage lager dan de waanzin," zei hij zachtjes, alsof hij het tegen de muren had. "En wij zitten er precies tussenin."

De vergadering ging verder, zoals vergaderingen dat doen: met veel woorden, weinig beweging en een groeiend aantal glimmende hoofden. Want terwijl de democratie sprak, smolt de boter boven hun hoofden in een tempo dat deed vermoeden dat de zon persoonlijk een politieke voorkeur had.

En zo begon de dag in de Boterkamer der Democratie: met een lek dat niemand wilde zien, een zaal die langzaam vettiger werd, en een bestuur dat vastbesloten was de werkelijkheid te negeren zolang zij niet luid genoeg op de vloer viel.